Bij ons kun je altijd terecht voor heldere antwoorden op juridische vragen!

Coronaspoedwet: aanvrager faillissement tijdelijk 'terug in het hok'

Op korte termijn zal de Tweede Kamer zich buigen over de ‘Tijdelijke wet COVID-19 SZW en J&V’. In deze wet worden een aantal zaken geregeld, waaronder een regeling ter bescherming van ondernemers die direct geraakt zijn door de aanhoudende corona crisis en daardoor in een faillissementssituatie terecht zijn gekomen.

Zonder uitputtend te zijn geeft de regeling een ondernemer, van wie door een schuldeiser het faillissement is aangevraagd, in ieder geval de mogelijkheid om de rechtbank te verzoeken de behandeling van de aanvraag tot faillietverklaring gedurende twee maanden aan te houden. Als dit verzoek wordt toegewezen kan de termijn nog eens met twee keer twee maanden worden verlengd (maximaal zes maanden). Tijdens deze aanhouding geldt er een soort van ‘bevriezing’ van de bestaande situatie. Schuldeisers kunnen bijvoorbeeld geen betaling afdwingen en mogen de overeenkomst met de schuldenaar niet tussentijds beëindigen. Ook zijn de goederen van de schuldenaar tijdelijk veilig gesteld; de schuldeisers verliezen tijdelijk de bevoegdheid om verhaal te nemen op goederen van de onderneming. Gelegde beslagen kunnen op last van de rechter worden opgeheven.

Kan iedere ondernemer die in de financiële penarie zit dit verzoek succesvol doen? Het antwoord is nee. De ondernemer moet duidelijk kunnen aantonen dat zijn financiële toestand (betalingsonmacht) rechtstreeks en volledig of hoofdzakelijk een gevolg is van de coronacrisis. Als blijkt dat de ondernemer ook zonder een coronacrisis evengoed niet tot betaling van zijn schulden had kunnen overgaan, wordt het verzoek afgewezen. Als de ondernemer aannemelijk kan maken dat hij vóór 15 maart 2020 (intelligente lockdown) wel voldoende liquide middelen had om zijn opeisbare schulden te voldoen en dat de coronamaatregelen en/of de gevolgen van de coronacrisis hebben geleid tot een omzetverlies van 20% ten opzichte van de gemiddelde omzet van de laatste drie maanden, dan wordt vermoed dat het vereiste verband met de corona uitbraak aanwezig is. En last but not least: het vooruitzicht moet bestaan dat de schuldenaar na de gestelde termijn wel aan zijn opeisbare en toekomstige verplichtingen kan blijven voldoen.

Met de huidige onzekerheid over de duur van de corona crisis en de gevolgen daarvan op lange termijn zal met name dit laatste voor meerdere ondernemers lastig te onderbouwen zijn. Denk aan de horeca en de evenementensector, waar momenteel ieder reëel perspectief lijkt te ontbreken.

‘Nood breekt wet’ of nood zorgt in ieder geval voor een spoedwet die de gewone Faillissementswet opzij zet. Al met al een klein lichtpuntje voor bedrijven die in betalingsproblemen zijn gekomen als gevolg van de coronacrisis. De schuldeiser die geen begrip heeft voor de situatie en op een faillissement aanstuurt moet, als daarom wordt verzocht, even ‘terug in het hok’.

Overigens is het bij de meeste rechtbanken al enige tijd het beleid dat faillissementsaanvragen die door schuldeisers worden gedaan (anders dan eigen aangiftes) extra kritisch worden beoordeeld. Als blijkt dat de faillissementssituatie ‘corona gerelateerd’ is, zal men het faillissement waarschijnlijk toch minder snel uitspreken en de schuldenaar eventueel nog wat tijd geven.

Eef Steentjes, 1 oktober 2020